Banner

Discussiestuk: Herziening van WTO-landbouwverdrag op basis van voedselsouvereiniteit PDF Afdrukken E-mailadres
dinsdag, 14 juni 2011 15:59

Berthelot: De herziening van het WTO-landbouwverdrag op basis van voedselsouvereiniteit

In bepaalde kringen van WTO-tegenstanders wint het 'Landbouw uit de WTO'-standpunt aan kracht.  Landbouw- en ontwikkelingseconoom Jacques Berthelot (verbonden aan tal van internationale NGO-netwerken en -fora, en medewerker van de Franse ontwikkelingsorganisatie Solidarité [1]) is het daarmee niet eens. Hij publiceerde eind mei een discussiestuk over landbouw, voedselsouvereiniteit en de wereldhandelsorganisatie WTO [2]. Hij is van mening dat het realistischer is om het WTO-landbouwverdrag aan te passen dan om landbouw onder te brengen onder een nieuw op te zetten internationale instelling met een mandaat over voedselsouvereiniteit. De huidige economische verhoudingen bieden ruimte voor een omwenteling binnen de WTO, aldus Berthelot.

Zijn paper is verdeeld in vijf hoofdstukken:
1: Tekortkomingen van de WTO om handel te reguleren, vooral de handel in landbouwproducten
2: Vragen die een eventuele verwijdering van landbouw uit de WTO oproept
3: Vragen met betrekking tot een mogelijk nieuwe instelling voor de regulering van handel in landbouwproducten
4. Het is realistischer om binnen de WTO het Landbouwakkoord op basis van voedselsouvereiniteit te herzien
5. De strategie om het WTO-landbouwverdrag te herzien op basis van voedselsouvereiniteit


(Vertaling/bewerking door Rob Bleijerveld - WTO.ZIP nieuwsbrief)


1. Tekortkomingen van de WTO om handel te reguleren, vooral de handel in landbouwproducten

In zijn paper "Rebuilding the WTO Agreement on Agriculture on food sovereignty" geeft hij eerst aan welke belangrijke tekortkomingen de WTO heeft als het gaat om het reguleren van handel, met name van landbouwproducten.

Berthelot: Belangrijk is dat de geschillenbeslechtingsprocedure van de WTO niet aan de normale rechtsregels voldoet. Het Dispute Settlement Body (DSB) volgt alleen de mening van de handelsdeskundigen, en de WTO-instelling voor hoger beroep (Appellate Body) kijkt niet naar de materie in kwestie ('substance') maar naar eventuele schending van WTO-regels. Verder ontbreekt de Procureur Generaal als vertegenwoordiger van het algemeen belang. De WTO doet dus alleen uitspraken op basis van de commerciële regels in de eigen verdragen en erkent niet het primaat van menserechten, sociale rechten en milieurechten. De DSB is niet verplicht om bij het vonnissen uit te gaan van eerdere vonnissen, jurisprudentie of uitspraken in beroepskwesties. Dit heeft ook zijn weerslag naar de landbouwonderhandelingen. Voorbeeld: ondanks 4 relevante uitspraken van de Appelate Body sinds 2001 worden de gewraakte binnenlandse landbouwsubsidies door de voorzitter van het Speciale Committee voor Landbouw nog steeds niet betrokken bij het beoordelen van eventuele 'dumping' van landbouwproducten.

De periodieke handelsbeleidsrapportage van de lidstaten is alleen gebaseerd op de informatie die de lidstaten aanbieden. De WTO controleert niet de door de lidstaten aangeleverde gegevens over landbouwsubsidies. Hierdoor kunnen de EU en VS doorgaan met het verhullen van hun enorme subsidieberg (door die onder te brengen in een verkeerde categorie ('box'). De voorzitter van het Speciale Committee voor Landbouw dekt deze subsidiezwendel van EU en VS omdat hij weigert de aangeleverde data ter inzage te geven aan andere lidstaten. Verder heeft hij in tenminste twee gevallen de regels uit het Landbouwverdrag bewust verkeerd weergegeven [3] in de Revised draft of Agricultural Modalities van 6 december 2008.

Landbouw is slechts een ruilmiddel bij de WTO-onderhandelingen omdat die uitgaan van het principe van de "single undertaking" [4]. De inhoud van het landbouwverdrag - zeker waar het gaat om voedselsouvereiniteit - kan tot op het laatst nog drastisch worden veranderd. Niet erkend wordt dat de landbouwmarkten niet zelfregulerend zijn vanwege het niet-rekbare karakter van voedselaanbod en -vraag. De landbouwregels pakken ook onrechtvaardig uit voor ontwikkelingslanden, met name door de bevooroordeelde definities voor 'dumping' en door het toestaan van subsidies. Verder maakt het Landbouwverdrag  oligopolistische praktijken mogelijk door het garanderen van lage prijzen voor de agro-voedselindustrie en door het aanpakken van handelshuizen van overheden (ondanks het feit dat die het algemeen belang dienen).

De onderhandelingen over handel in vis(producten) zijn geen onderdeel van het landbouwdossier (maar van NAMA) ondanks dat vis wel een basisvoedsel is. Het uit de WTO halen van landbouw zou vis(producten) buitensluiten van pogingen om voedselsouvereiniteit veilig te stellen.


2. Vragen die een eventuele verwijdering van landbouw uit de WTO oproept

Volgens de schrijver willen de grote ontwikkelingslanden landbouw in de WTO (en de WTO in de landbouw) houden ondanks de enorme tekortkomingen van de instelling.

Berthelot: De WTO is namelijk de enige internationale instelling die de beschikking heeft over een geschillenbeslechtingsorgaan dat op efficiënte wijze internationale handelsregels kan toepassen. Zelfs ondanks de overduidelijke oneerlijkheid en onevenwichtigheid ten gunste van de rijkste lidstaten en de multinationals waren de ontwikkelingslanden in staat om de EU te laten veroordelen in de suiker-zaak (april 2005) en de VS in de katoen-zaak (maart 2005, en augustus 2009). Zoiets kunnen ze niet bereiken via IMF, Wereldbank of de VN (Veiligheidsraad).

Ze stellen de WTO niet ter discussie omdat ze de bilaterale handelsovereenkomsten met de rijke landen een groter gevaar vinden. Sinds 2005 treden de ontwikkelingslanden in geschillen vaker op als klager dan als aangeklaagde, ook waar het landbouw aangaat. En sinds de top in Cancún in september 2003 hebben de grote ontwikkelingslanden hun positie verstevigd: Brazilië en India verdrongen Japan en Canada uit de G4 ('Quad', een informele stuurgroep voor de WTO-agenda) en de door hen opgezette G20, G33 en G90 hadden veel invloed op de landbouwonderhandelingen.

Landbouw is hun belangrijkste economische sector (werkgelegenheid, BNP, handel). Tegelijkertijd is het ook de Achilles-hiel èn het ruilmiddel van de rijke landen. Bijna eenderde van de WTO-geschillen tussen 1995 en begin 2008 ging over landbouw. Door de aanwezigheid van landbouw in de Doha Ronde kunnen de ontwikkelingslanden zich veroorloven om voorstellen van rijke landen voor verdere liberalisering van industriële producten (NAMA) en diensten (GATS) af te wijzen. Hun troef is dat de rijke landen hun landbouw niet zullen opofferen (door verlaging van subsidies en tarieven). De ontwikkelingslanden beseffen steeds meer dat ze willen doorgaan met hun landbouwsubsidie-zwendel (handelsverstoring), het hoge niveau voor "sensitieve producten" (instandhouding van efficiënte importbescherming) en dat ze - indien nodig - andere subsidiesoorten [5] misbruiken om hun landbouw voldoende concurrerend te houden en om een minimum niveau voor voedselsouvereiniteit te garanderen.

Belangrijk is ook dat een enkel WTO-akkoord, zoals dat van Landbouw, niet kan worden losgeweekt van de andere 19 WTO-deelakkoorden. Maar ook niet van de algemene WTO- en GATT-regels of van alle uitspraken van de door DSB en de Appellate Body. Lamy's kabinetschef, Gabrielle Marceau, zei het zo: "Agriculture related disputes have been rich in providing useful jurisprudence and principles that are relevant to all disputes" [6]. Hoewel nog steeds onvoldoende, doen DSB en Appellate Body bij hun uitspraken steeds meer een beroep op algemene rechtsprincipes die de strict commerciële regels van de WTO-akkoorden in twijfel trekken. Een paar uitspraken over voedselsouvereiniteitdie geven bijvoorbeeld aan dat bij 'dumping' naar alle binnenlandse subsidies moet worden gekeken die te maken hebben met de landbouwexport.

Tenslotte zou het weghalen van landbouw uit de WTO (de WTO uit landbouw) onvoldoende zijn om de bestaansgrond van de instelling ter discussie te stellen.
De invloed van de WTO strekt beslaat namelijk veel aspecten van het menselijk bestaan. Maar er worden ook talloze geschilprocedures gevoerd buiten landbouw om (of lidstaten zijn van plan om die te gaan voeren) tegen 'dumping' van niet-agrarische producten. De meeste ontwikkelingslanden zijn tegen de terugtrekking van de WTO uit landbouw omdat zij het doelwit zijn van veel geschilprocedures over industriële goederen (NAMA) aangespannen door rijke landen en door andere ontwikkelingslanden.


3. Vragen met betrekking tot een mogelijk nieuwe instelling voor de regulering van handel in landbouwproducten

Berthelot: Het is niet voldoende om het recht van elk land op voedselsouvereiniteit af te kondigen als de nieuwe instelling voor de regulering van handel in landbouwproducten - en optredend onder UNHCR- of FAO/UNCTAD-vlag, danwel zelfstandig als Committee on World Food Security (CFS) - niet over de macht beschikt om lidstaten en agro-industriële ondernemingen sankties op te leggen.  

Een nieuwe instelling die de landbouwhandel reguleert, moet een breed mandaat hebben en een efficiënt funktionerend Geschillen Beslechtings Orgaan. Het moet bijvoorbeeld verder kunnen gaan dan de WTO-uitspraken over het vaststellen van minimum prijzen voor tropische producten en daarmee samenhangende productiequota, en over het instellen van bodemniveaus voor graanvoorraden in de belangrijke exportlanden. En het moet meer macht hebben dan de GATT van vóór 1995 (ingangsdatum van de WTO).

Bij gebrek aan al opgebouwde jurisprudentie moet de rechtspraak over de geschillen zijn gebaseerd op wettelijke teksten die voldoende gedetailleerd en expliciet zijn. Deze teksten moeten niet alleen een nieuw Landbouwakkoord omvatten dat is gebaseerd op voedselsouvereiniteit, maar ook teksten die de doelstellingen en de middelen vastleggen van de nieuwe instelling, het nieuwe Geschillen Beslechtings Orgaan en het equivalent van de "Understanding on rules and procedures governing the settlement of disputes" van de WTO.

Daarnaast is het nodig dat de nieuwe instelling op preciese wijze aangeeft welke regels van het internationale handelsrecht het zal toepassen, welke normenhierarchie het zal hanteren ten aanzien van mensenrechten, sociale rechten, en rechten die zijn vastgelgd door internationale milieuverdragen.

Maar zijn er wel rechters en deskundigen die thuis zijn in zowel het internationale handelsrecht, landbouwrecht en wetten voor mensen-, sociaal- en milieurecht? Omdat de taak zal zijn om recht te spreken in konflikten over handel in landbouwproducten, zal de verleiding groot zijn om de toevlucht te zoeken tot regels en jurisprudentie van WTO en GATT, misschien met een vleugje mensen-, sociaal- en milieurecht.

En waar vinden we geld voor deze nieuwe instelling en zijn Geschillen Beslechtings Orgaan? Veel landen, en vooral de ontwikkelingslanden, zijn terughoudend als het gaat om bijkomende contributiekosten (vooral in deze tijd met hoge begrotingstekorten) en het is niet te verwachten dat de WTO-begroting aanzienlijk zal inkrimpen na het terugtrekken van landbouwdossier.


4. Het is realistischer om binnen de WTO het Landbouwakkoord op basis van voedselsouvereiniteit te herzien

Berthelot: Nog afgezien van de terughoudendheid van de meeste ontwikkelingslanden om landbouw uit de WTO te halen (of omgekeerd), kan zo'n terugtrekking de mogelijkheid van herziening van de landbouwpolitiek op basis van voedselsouvereiniteit niet garanderen. Daarvoor is eerst de hervorming nodig van het volgende:
a/ de voorwaarden van IMF en Wereldbank (de gewapende tak van de ontwikkelde landen) die sinds de jaren '80 aan de ontwikkelingslanden zijn opgelegd gericht op het liberaliseren en dereguleren van hun landbouwbeleid;
b/ de nog ingrijpender liberalisering van de landbouwmarkten van ontwikkelingslanden opgelegd door de ontwikkelde landen via bilaterale vrijhandelsverdragen, vooral door de EPA's (biregionale verdragen tussen de EU en de ACP-landen);
c/ de onwil van de grote netto voedselexporterende ontwikkelingslanden van de G20 [7] om de netto voedselimporterende ontwikkelingslanden toe te staan hun binnenlandse markt effectiever te beschermen door regelingen voor "speciale producten" en "speciale garantiemechanisme" waarover in de Doha Ronde is onderhandeld, zelfs als deze instrumenten in het geheel niet díe mate van vrijheid opleveren nodig om het benodigde beschermingsniveau te bereiken.

Enkele van deze G20-landen, en vooral Brazilië, exporteren nu al meer voedselproducten naar ontwikkelingslanden dan naar Westerse landen. En dit aandeel zal nog duidelijk toenemen omdat de bevolking in de Westerse landen stagneert en vergrijst terwijl die in de ontwikkelingslanden over het algemeen blijft groeien. De vijf netto exporterende ontwikkelingslanden in de Zuidelijke Kegel - Argentinië, Brazilië, Chili, Paraguay en Uruguay - verklaarden op 1 april 2011 dat ze tegen maatregelen voor beperking van de stijging van landbouwprijzen. Zij beschouwen die stijging als noodzakelijk voor de bevordering van de wereldwijde landbouwproductie, ervan uitgaande dat zijzelf het meest concurrerend zijn waar het gaat om het voeden van wereldbevolking. Zij stuurden een overeenkomstig bericht aan de G-20 [8] die in juni 2011 over landbouw vergaderde.

En tien internationale instellingen - FAO, Wereldbank, IMF, OECD, World Food Programme, International Fund for Agricultural Development, UNCTAD, International Food Policy Research Institute, en de UN High level task force on world food security - deden op 3 mei jl. aan G-20 voorzitter Sarkozy vier aanbevelingen over de beweeglijkheid van grondstofprijzen, vooral van voedselprijzen, waarvan de eerste de snelle afsluiting van de Doha Ronde is.

Afgezien van de druk door IMF en Wereldbank, bilaterale verdragen en netto voedselexporteurs, speelt ook het onderhandelingsaspect van landbouw een rol. De ontwikkelingslanden hebben hiermee een sterke troef in handen om de druk te weerstaan van de rijke landen die hun markten voor industriële geoderen en diensten verder willen openen.

De huidige omstandigheden zijn gunstig voor een radicale verandering van de regels in het WTO-landbouwverdrag. De Doha Ronde is hersendood; de 'exploderende' voedselprijzen waren aanleiding voor voedselrellen in 2007-2008 en de huidige stijging van de prijzen kan weer leiden tot rellen; de ad valorem tarieven [9] van de WTO zijn niet in staat om de onbeheerste beweeglijkheid van voedselprijzen en de grote beweeglijkheid van de wisselkoersen tegen te gaan. Meer in het algemeen staat de houdbaarheid van het paradigma van de economische liberalisering en van de Washington Consensus grondig ter discussie door de wereldwijde recessie van 2007-2008 waarbij de Westerse landen handelden in tegenstelling tot wat ze altijd predikten. Zoals door hun grootschalige schending van de GATS-regels over de bewegingsvrijheid en deregulering van kapitaalmarkten, en die van het Verdrag over Anti-dumping en het Verdrag over Subsidies en Compenserende Maatregelen (Countervailing measures) door de enorme subsidies die ze verleenden aan hun financiële instellingen en industriële ondernemingen. Een recent WTO-rapport onderstreept de grote toename van protectionistische maatregelen door de G-20 van midden oktober 2010 tot april 2011. Daarvan gaat 14,9% over landbouw, vooral vlees [10].

Dit alles bevestigt dat het probleem van het opleggen van voedselsouveriniteit aan landbouw- en handelspolitiek veel groter is dan het debat over de instelling die tot taak heeft dit te reguleren (de WTO of een andere instelling). In de huidige contekst van het betwisten van het economische liberalisme zal het herzien van het WTO-landbouwverdrag op basis van voedselsouvereiniteit niet langer worden opgevat als een revolutie. Bovendien laten de lopende debatten in de EU (met name in Frankrijk) en de VS over herziening van respectievelijk het CAP en de Farm Bill [11] zien dat deze twee machtige WTO-lidstaten nooit hun landbouw zullen opofferen. In deze interne debatten is nooit enige toespeling gemaakt over de in de WTO gedane toezeggingen voortvloeiend uit de stellingname dat de Revised Draft on Agricultural Modalities van 6 december 2008 een goede basis is voor de voortgang van de Doha Ronde Onderhandelingen. En toch gaat deze concepttekst ervan uit dat de ontwikkelde landen hun gemiddelde landbouwtarieven met 54% moeten verminderen en hun totale handelsverstorende binnenlandse steun met 70% (VS)/ 80% (EU) (uitgaande van de toegestane niveau's in de periode 1995-2000. De uitvoering hiervan zou beduidend minder revolutionair zijn dan het effect ongedaan maken van de uitzonderingen die de GATT-regels tot 1995 boden: er werd toen geen limiet gesteld aan de invoering van beschermmaatregelen (geen limiet op toegepaste tarieven en de mogelijkheid om importquota en veriabele heffingen te gebruiken). Zoals algemeen bekend is, tolereerde de GATT ook de export-restitutie. De WTO-lidstaten zijn het weliswaar eens geworden over de afschaffing hiervan zodra de Doha Ronde is afgesloten, maar de impact van deze verwijdering zal zeer minimaal zijn zolang de binnenlandse subsidies voor de geëxporteerde producten niet wordt verboden.


5. De strategie om het WTO-landbouwverdrag te herzien op basis van voedselsouvereiniteit

Berthelot: Het WTO-landbouwverdrag kan niet worden herzien op basis van voedselsouvereiniteit tenzij de machtigste WTO-lidstaten, de VS en de EU, instemmen met de herziening van hun landbouwbeleid (resp. Farm Bill en CAP) op basis van datzelfde principe. Maar ze zullen dat alleen doen indien zij binnen de WTO worden veroordeeld en hen zware beperkingen worden opgelegd. Daarom is de enig mogelijke strategie het voor korte tijd gebruiken van de WTO om te komen tot de veroordeling van de VS en de EU wegens hun veel te lage opgave van de binnenlandse handelsverstorende subsidies (AMS, amber box) [12]. Een dergelijke veroordeling zal VS en EU dwingen om - onder druk van hun boeren wier inkomens sterk zullen dalen - landbouw uit de WTO te halen en om de boereninkomens te herstellen op basis van redelijke prijzen (remunerative prices). Dat wil zeggen op basis van voedselsouvereiniteit zonder dumping en uitgaande van een substantiële toename van hun importbescherming, iets dat tegengesteld is aan de doelstelling van de WTO.

Alleen WTO-lidstaten zijn in staat om klachten in te dienen bij het WTO-geschillenbeslechtingsorgaan (DSB) tegen de subsidieprogramma's van VS en EU die de WTO-regels schenden. Daarom is het absoluut noodzakelijk dat de maatschappelijke organisaties in het Noorden en Zuiden een media-campagne lanceren tegen de veel te lage opgave van de binnenlandse handelsverstorende subsidies, om niet te zeggen tegen hun bedrog.

Maar eerst moeten we de ongelooflijke tegenstrijdigheid van bepaalde regels uit het WTO-landbouwverdrag aan de kaak stellen. Het Revised Draft on Agricultural Modalities van 6 december 2008 is zó complex en zó enorm inconsistent dat er bijna geen lidstaat is die het volledig doorgrondt, met uitzondering van de VS en de EU en natuurlijk van het WTO-secretariaat die sommige regels heeft gemanipuleerd ten gunste van de twee machtigste lidstaten (Zie eerste referentie in noot [12]).

De noordelijke boerenvakbonden, waaronder de bonden voor boerengezinnen verbonden aan Vía Campesina, en de NGO's van de alternatieve globaliseringsbeweging die hen steunen, zijn echter terughoudend - al was het maar voor korte tijd - om de WTO te gebruiken, omdat dit in hun ogen de organisatie zekere legitimiteit verleent die het onmogelijk maakt zijn regels te veranderen. Het is gemakkelijk te begrijpen dat de Europese boerenvakbonden niet het risiko willen nemen om de subsidies af te wijzen zolang ze er niet zeker van zijn dat de CAP onmiddellijk zal worden herzien op basis van redelijke prijzen (remunerative prices). Die subsidies vormen namelijk de kern van hun inkomen en zijn zelfs groter dan hun netto inkomen voor granen, rundvlees en melk. Toch geven alle Europese boeren de voorkeur aan een inkomen op basis van redelijke (remunerative) en stabiele prijzen en niet aan inkomens die afkomstig zijn van grote giften omdat dat vernederend is en hen voorstelt als profiteurs (scroungers). Dit is des te meer zo, omdat ze weten dat de subsidies na 2013 zullen worden verminderd.

Een andere zorg is het risiko dat de Europese consument zelfs geen geringe verhoging van de voedselprijzen accepteert, vooral in deze crisitijd met de toenemende werkloosheid en lagere koopkracht van de armste burgers. En de impact van hogere voedselprijzen zou in tijd en omvang beperkt moeten zijn.
Aan de ene kant is het aandeel van landbouwprijzen op de huishoudbudgetten in de EU 3% terwijl het gemiddelde aandeel van het inkomen aan voedsel 15% is en het gemiddelde aandeel van de landbouwprijzen in de voedselprijzen slechts 20%. Aan de andere kant zou herstel van de jaarlijkse toename van het BNP per hoofd van ongeveer 1,5% op de middellange termijn (tegen 2% gemiddeld tussen 2000 en 2005) een verzachtende werking hebben op een toename van landbouwprijzen van ongeveer 30% over de gemiddelde prijsniveau's van de periode 2000-2005, aldus een stijging van voedselprijzen van 6%, gespreid over 5 tot 6 jaar (??).

De grote stijging van boerderijprijzen tussen maart 2010 en maart 2011 had duidelijk een erg lage invloed op de voedselprijzen in de EU en in Frankrijk. Volgens Eurostat verdubbelde de graanprijzen in de EU terwijl de prijs van brood en andere graanproducten slechts 3,6% steeg. En volgens het INSEE stegen de Franse boerderijprijzen voor rundvlees met 8%, voor varkensvlees met 15% en pluimveevlees met 26%, terwijl de gemiddelde vleesprijs in de supermarkt slechts met 1.7% steeg.

De impact van landbouwprijzen in ontwikkelingslanden is heel anders. Terwijl voedsel slechts 10% van het huishoudbudget in de VS beslaat en 15% in de EU, is dat gemiddeld 53% in ontwikkelingslanden en 60% in Subsahara Afrika. In het Noorden hebben de landbouwprijzen slechts een aandeel van 20% in de voedselprijzen; in de Minst Ontwikkelde Landen is dat rond de 75% aangezien ze daar voornamelijk onbewerkte producten consumeren. Maar aangezien de boerenbevolking in ontwikkelingslanden de meerderheid uitmaakt, zal die op de lange termijn meer baat hebben bij hogere landbouwprijzen. Degenen die het meest aan honger lijden zijn de kleine boeren en landarbeiders in het Zuiden die onvoldoende produceren voor eigen behoefte; belangrijke factoren daarbij zijn de dumping en de daaraan gekoppelde lage prijzen waaronder zij lijden. Hogere prijzen zouden hen juist aanzetten tot meer productie.

Daarom moeten maatschappelijke organisaties uit Zuid en Noord het initiatief nemen voor genoemde media-campagne en de boerenorganisaties zullen uiteindelijk aansluiten. Als die campagne goed wordt gecovered door de wereldwijde media, kan dit de politieke autoriteiten in de VS en de EU destabiliseren zonder de noodzaak tot het instellen van formele procedures binnen de WTO. Expliciete dreigementen door zuidelijke WTO-lidstaten zullen voldoende zijn.

Zo'n campagne zou ontwikkelingslanden die weigeren om hun markten te openen voor de export van industriële goederen en diensten vanuit de VS en de EU bewapenen. Het zou een einde maken aan de Doha Ronde omdat landbouw de enige compensatie is die ze kunnen aanbieden aan de ontwikkelingslanden, in de vorm van lagere landbouwtarieven en -subsidies. Dit ook de bilaterale onderhandelingen doen wankelen, met name de EPA's, omdat de ACP-landen de wapens krijgen om de EU landbouwsubsidies af te wijzen, een kwestie die de EU weigerde op te nemen in de EPA-onderhandelingen en teksten met als argument dat dit alleen in de WTO aan de orde zou kunnen komen.

Het is echter niet voldoende om de netto voedselimporterende ontwikkelingslanden van de G33 en G90 te overtuigen van noodzaak en mogelijkheid om hun landbouwbeleid op basis van voedselsouvereiniteit te herzien, ook al worden de EU en de VS door een uitspraak van de WTO-geschillenbeslechting gedwongen om het grootste deel van hun landbouwsubsidies te schrappen. Het is ook nodig om de netto voedselexporterende ontwikkelingslanden van de G20 te overtuigen. Deze G20-landen hebben meer te winnen indien ze inzetten op het overnemen van het Europese landbouwmarktaandeel in de rest van de wereld dan op het doorgaan met het exporteren naar de EU. Dit is mogelijk indien de EU instemt met een totale exportstop van zijn gesubsidieerde landbouwproducten in ruil voor het recht om zijn binnenlandse markt op efficiënte wijze te beschermen. Het overleven van de boeren in de 27 EU-lidstaten is inderdaad verbonden aan hun binnenlandse markt die tussen 2006 en 2008 84,5% aan onbewerkte landbouwproducten als voedsel heeft geabsorbeerd. Iets dergelijks geldt voor de Europese agri-voedsel industrieën die 75,1% van hun bewerkte voedselproducten op de Europese markt verkochten.

Ik wil opmerken dat het WTO Public Forum van 19-21 september 2011 met als titel "Seeking answers to global trade challenges" heel goed onderstreept dat de WTO - na ongeveer 10 jaar hersendode Doha Ronde -  niet weet waar heen te gaan. "The 2011 Public Forum will provide an opportunity for the public at large to identify the principal trade challenges at the global level that impact on the multilateral trading system and identify solutions to ensure the WTO effectively adapts and responds to our fast changing world. The discussion will encompass four core themes that will structure the analysis of the main issues focusing on the future of the multilateral trading system and how the WTO can promote coherence at the international level to better address world problems and contribute towards improved global governance. Discussions will take place under the following sub-themes: 1. Food Security; 2. Trade in Natural Resources; 3. Made in the World and Value-Added Trade; 4. What Next for the Trading System?".

Solidarité houdt dan samen met andere NGO's en boerenorganizaties uit Zuid en Noord, een workshop over het thema "Waarom de landbouwonderhandelingen een struikelblok zijn van de Doha Ronde". De workshop gaat over de noodzaak om het WTO-landbouwbeleid te hervormen op basis van voedselsouvereiniteit zonder directe en indirecte dumping met als doel het op de lange termijn garanderen van voedselsouvereiniteit en een duurzame ontwikkeling in alle landen.


Bron:
- "Rebuilding the WTO Agreement on Agriculture on food sovereignty," Jacques Berthelot, Solidarité, 30 mei 2011 (waarbij gebruik gemaakt van de Franse versie: "Refonder l’Accord sur l’agriculture de l’OMC sur la souveraineté alimentaire," Jacques Berthelot, Solidarité, 31 mei 2011 en de Engelse samenvatting.

Noten:
[1] Zie hier
[2] "Rebuilding the WTO Agreement on Agriculture on food sovereignty," Jacques Berthelot, Solidarité, 30 mei 2011.
[3] Namelijk bij de definitie van product-specifieke 'de minimis'-steun, en door te accepteren dat Aggregate Measurement of Support ("amber box") op basis van vastgestelde prijzen ('administered prices') neerkomt op marktprijssteun buiten de bestaande subsidies om.
[4] Niets wordt vastgelegd totdat de lidstaten over alles zijn uitonderhandeld.
[5] De VS subsidieert bijvoorbeeld onderhoud aan zijn waterwegeninfrastructuur ten behoeve van het transporteren van granen.
[6] "Agriculture and World Trade Organization Dispute Settlement," Gabrielle Marceau (2006).
[7] Zie Wikipedia.
[8] Het gaat hier om de groep van 20 machtigste landen die in 1999 is opgezet door de ministers van financiën en waarvan de staatshoofden jaarlijks bijeenkomen als uitbreiding van de G-8. Zie: G20-G8.
[9] Hoogte van deze tarieven is afgeleid van de waarde van de verhandelde goederen.
[10] Zie hier
[11] CAP: Gemeenschappelijk Landbouw Beleid van de EU. Farm Bill: Landbouwbeleid van de VS.
[12] Zie: "Why the WTO text on agriculture of 21 April 2011 could not show any progress," J. Berthelot, Solidarité, 25 april 2011; "The CAP subsidies are incompatible with the WTO Agreement on agriculture," J. Berthelot, Collectif Stratégies Alimentaires en Plate-Forme Souveraineté Alimentaire (Can the CAP manage without market regulation after 2013?), 31 maart en 1 april 2010; "The US cannot cut its agricultural supports in the Doha Round," J. Berthelot, Solidarité, 1 augustus 2009.